Wachten op de modellen

Geschreven voor het zomernummer van Bright.
We stonden te wachten op de modellen, maar de modellen kwamen niet. Er zat een modellenbureau naast ons kantoor en vroeger waren er dagen dat de modellen de hele dag door kwamen, maar dat was vroeger. Ze hadden het me verteld, mijn collega’s – ik had het zelf nooit meegemaakt.
Misschien hadden ze me iets wijs gemaakt en stonden ze nu te lachen met z’n allen als ik er even niet was, maar dat werd steeds onwaarschijnlijker. We stonden nog steeds elke ochtend in de kantine uit het raam te kijken of de modellen kwamen.
En soms kwam er ook ééntje.
Het waren nooit geweldige modellen, want het was geen geweldig modellenbureau, maar het waren altijd vrouwen waar je op straat je hoofd voor om zou draaien om ze na te kijken. En als je zo’n vrouw zag, aan het begin van je dag, begon je dag goed.
We stonden ’s ochtends in de kantine koffie te drinken en dan hadden we het over dingen en ondertussen keken we naar buiten om te zien of er toevallig een model aankwam – als ze kwamen was het altijd in een klein autootje als ze alleen waren, en een grote auto als ze door hun vriend gebracht werden. Vriendjes van modellen hadden altijd grote auto’s.
Het was nu zomer en het werk lag stil. Alle klanten waren op vakantie en een paar collega’s ook, maar wij waren over; de mensen die later met vakantie zouden gaan of al eerder waren geweest of gewoon niet gingen omdat ze niet in vakantie geloofden.
We bleven langer in de kantine staan. We wisten dat er een dag aan zat te komen die niet voorbij zou gaan. We zouden de servers nog wat meer opschonen en wat directories iets beter organiseren – of in ieder geval anders, en dan soms ook weer teruggaan naar hoe het was – en programmacode die we waarschijnlijk niet meer zouden gebruiken optimaliseren. Code die door jongens was geschreven die niet meer bij ons werkten, lezen en proberen te begrijpen en er commentaar bij zetten: dit doet waarschijnlijk dat. Code die door Pierre was geschreven lezen en lachen en er de anderen bij roepen: kijk wat hij hier heeft gezegd. Pierre was ontslagen ver voor ik kwam omdat hij zijn frustraties in zijn code kwijt moest en de klant uitschold in zijn commentaar.

/****************************
* Kutklant wil dit en dat, *
* dus hij krijgt dit en dat,*
* maar kutklant moet DOOD *
*****************************/
#include
main()

En verder.
En toen de klant een keer kwam om te zien hoe het project liep, liet de baas de code zien, want klanten zijn altijd onder de indruk van code; als ze iets zien dat ze niet begrijpen, denken ze dat het goed gaat.
Daarom werkte Pierre niet meer bij ons. Ik had hem graag gekend.
We wisten dat er een dag aan zat te komen met de airco op volle sterkte want de horizon had al een zweem van geel en de zon zou haar vuist loom op het platte dak van ons kantoor laten neerkomen. We zaten in een schoenendoos van blauwgeverfde golfplaten boven een autoschadebedrijf en de schoenendoos zag eruit of het geen idee van de architect was geweest, maar een suggestie van een van de bouwvakkers toen ie had gezien dat er nog wat materiaal over was. En de schoenendoos werd heet in de zon.
Een paar modellen aan het begin van de dag zou het allemaal wat minder zwaar maken. Of één model. Een behoorlijke.
Maar er kwam niks.
We dronken koffie en we keken naar buiten en er kwam niks. Pas toen de baas aan kwam rijden, liepen we langzaam naar onze plekken toe en we trokken de ramen dicht om de airco aan te kunnen zetten. Studeren, zou de baas gaan zeggen, blijf jezelf ontwikkelen, de ontwikkelingen staan niet stil, dus jullie ook niet. We studeerden door rond te klikken op internet. Als we rondklikten op internet konden we niet naar buiten kijken. Alleen Henri had een plek bij het raam – iedereen die ooit bij het raam had gezeten, had na een paar zomerdagen zijn spullen gepakt en was aan een ander bureau gaan zitten, weg van de zon. En toen er geen bureaus meer over waren die niet bij het raam stonden, schoven we de bureaus die bij het raam stonden weg van het raam. Alleen Henri was blijven zitten. Hij keek niet naar buiten.
We hadden hem regelmatig gevraagd of hij af en toe naar buiten wilde kijken zodat hij ons kon waarschuwen als er een model kwam, maar hij had steeds zijn schouders opgehaald en we zagen hem nooit naar buiten kijken. Dus we zouden een heleboel modellen kunnen missen.

Ik had een uur rondgeklikt op internet en ik was elk kwartier opgestaan om een glas water uit de waterkoeler te halen en de waterkoeler stond in de keuken en als ik in de keuken was, kon ik naar buiten kijken. Zo deden we het, ongeveer: we gingen in shifts naar de keuken en als er dan een model zou zijn, zou er gewaarschuwd kunnen worden.
Toen ik water stond te drinken, kwam Joost ook. Ik zei dat het een belachelijke situatie was.
‘Wat?’
‘Dit. Het enige wat we te doen hebben is naar buiten kijken en we kunnen niet naar buiten kijken omdat we net moeten doen alsof we aan het werk zijn. En voor wie? Het is niet zo dat de klanten bij bosjes binnenkomen.’
Joost zei dat de baas graag het idee wilde hebben dat we werkten. ‘Hij weet ook wel dat het niet zo is, maar hij wil niet zien dat er geen werk is.’
Ik zei dat ik naar buiten wilde kijken.
‘Dan schuif je je bureau naar het raam.’
‘Dan ga ik dood van de hitte.’ We stonden nu al te zweten in de keuken. Henri moest van asbest gemaakt zijn. Buiten reed een Volvo langs. We keken ’m na. We zaten in een doodlopende straat op een bedrijventerrein, dus alles wat er langskwam, keken we na. Ik zei dat we een webcam moesten hebben.
Joost zei dat ze er jaren geleden wel een hadden gehad. ‘Daar hebben we toen leuke filmpjes mee gemaakt. De hele dag plaatjes van de straat opnemen en daar dan een filmpje van maken en dat heel snel afspelen. Er kwamen wel 47 auto’s langs.’
‘En modellen?’
‘Dat was voor het modellenbureau hier kwam.’
‘Wat nutteloos.’
‘Ja.’
Ik vroeg waar de webcam nu was.
‘Iemand heeft ’m mee naar huis genomen. Niemand weet meer wie.
Misschien heb ik ’m wel. Ik weet het niet meer.’
‘Kunnen we geen nieuwe kopen?’
‘Vraag maar geld aan de baas.’
Ik zuchtte.

Om halfelf putte ik drie ballen. We hadden een plastic put en een putter en drie ballen en ik speelde net zo lang tot ik ze alledrie geput had. De baas kwam langslopen en zei dat ik meer door mijn knieën moest zakken.

Om twaalf uur ging ik naar buiten. Ray vroeg of ik naar de McDonald’s ging. Dat vroeg hij altijd als ik naar buiten ging. Als hij naar buiten ging, ging ie naar de McDonald’s. Er zat er een twee bedrijventerreinen verder. Met een McDrive.
‘Nee’, zei ik, ‘ik ga niet naar de McDonald’s.’ Dat zei ik altijd, ook als ik wel naar de McDonald’s ging.
Buiten stond ik een paar seconden om me heen te kijken. Er was niks te zien. Ik liep langzaam naar het benzinestation en probeerde te beslissen wat ik zou gaan kopen: een bounty of een gevulde koek of een blad over computers.
Het werd een gevulde koek. De jongen achter de balie vroeg welke pomp ik had. Dat vroeg hij elke keer.
‘Geen pomp,’ zei ik.
‘Geen pomp?’
Ik schudde mijn hoofd.
Buiten, bij pomp vijf, stond een vrouw bij een Smart. Ik bleef even naar haar staan kijken terwijl ik mijn gevulde koek at. Het was geen model. Het was niet slecht, maar het was zeker geen model.

Om één uur sprak ik Daan aan. Hij zat te klikken op internet. Hij was geen programmeur. Hij was een soort projectleider. Of hij belde met de klanten; ik wist het niet precies. ‘Daan’, zei ik.
Hij keek op. Hij had pareltjes zweet onder de randen van zijn brillenglazen.
‘Jij hebt toch een D70?’
‘Ja’, zei hij, en ging wat rechter zitten, want hij vertelde graag over zijn camera’s.
‘Heb je ’m bij je?’
Hij knikte.
Ik vroeg of we ’m mochten gebruiken als webcam.
Dat mocht niet.

Om halftwee stopte er een klein autootje terwijl ik water stond te drinken en er stapte een vrouw uit en ik stond klaar om de anderen te roepen – maar het was niks. Het was een mantelpakje en een koffertje en verder niks. Ze kwam voor het autoschadebedrijf. Iedereen die hier stopte kwam voor het autoschadebedrijf.

Om twee uur viel de stroom uit. De paar tl-buizen die we aanhadden werden donker en verder merkten we nog niets omdat alle computers aan upsen hingen. Een paar seconden nadat de stroom weg was, begonnen de upsen te piepen. ‘Iedereen alles saven!’, riep iemand. ‘Iedereen alles saven!’
Iedereen keek een beetje om zich heen. Niemand was echt iets aan het doen; er stonden voor de vorm wat schermen met code open, maar daar werd alleen maar naar gekeken. Er werden wat schouders opgehaald en iedereen sloot zijn pc af.
We liepen allemaal naar de keuken. We schonken de koffiepot leeg voor de koffie koud zou worden. We keken naar buiten, en buiten scheen alleen de zon. We keken over de daken van de andere bedrijven.
Ray zei dat het door de warmte kwam, natuurlijk. En dat die warmte ook de computers te heet maakte.
Hans zei dat computers zich niets van omgevingswarmte aantrokken, dat die alleen luchtcirculatie nodig hadden.
Vervolgens hadden ze daar een discussie over. Die discussie duurde tot Joost zei dat de airco nu ook niet meer werkte en dat het nu heel heet werd hier.
Iemand zei dat we de ramen nu open moesten zetten.
Iemand anders zei dat de warmte dan juist binnen zou komen.
‘Het is binnen warmer dan buiten.’
‘Nog niet; het is nu nog koeler dan buiten.’
Er stopte een auto. We keken allemaal. Er kwam geen model uit.
Iemand zei dat ie zich thuis niet zo zou vervelen. ‘Thuis heb ik mijn PS2 en mijn Xbox.’
‘En porno’, zei iemand anders.

Een half uur later begon de grote Amerikaanse ijskast te lekken. We keken ernaar, maar niemand deed iets.

Een uur later zei niemand meer wat. We keken alleen nog maar naar buiten. We hadden de frisdrank die nog in de koelkast stond in mokken geschonken omdat de glazen nog in de vaatwasser stonden maar de vaatwasser had stroom nodig.
Op dat moment gebeurde het ongeluk.
Er reed een kleine Peugeot de straat in en hij reed aan de linkerkant van de weg. ‘Die komt zeker uit Engeland’, zei Joost. En net toen Joost dat zei, reed er een busje van het autoschadebedrijf achteruit de parkeerhaven uit. De Peugeot reed tegen het busje aan. Blik op blik, brekend glas van koplampen.
‘Die is raak’, zei Ray.
Uit de Peugeot stapte een vrouw. Ze was onmiskenbaar een model. Als ze het niet was, moest ze het zeker overwegen.
‘Niet slecht’, zei ik, en ik boog wat voorover.
Iedereen boog wat voorover.
Uit het busje stapten twee dikke mannen.
Met z’n drieën keken ze naar de schade. Met z’n allen keken wij naar hen. Of voornamelijk naar het model.
‘Waarom rijdt ze dan ook links?’, vroeg Ray.
‘Ze was naar de huisnummers aan het kijken’, zei Joost. ‘Ze zocht het modellenbureau.’
‘Dan is ze wel te ver doorgereden.’
Het model haalde een hand door haar haar.
‘Oe’, zei iemand.
‘Hoe groot is de kans dat er een ongeluk gebeurt op het moment dat we allemaal naar buiten staan te kijken?’
Joost berekende het. Hij nam het aantal uur dat we aanwezig waren en de kans op stroomuitval (waardoor we allemaal naar buiten stonden te kijken) en nog een hele hoop andere factoren in beschouwing. Ook het feit dat er een modellenbureau naast ons zat. Zonder modellenbureau zouden we niet naar buiten hebben staan kijken. Hij kwam op een heel erg laag getal.
Ik zei dat we haar naar binnen moesten halen.
‘Waarom?’
‘Zodat ze even kan zitten en wat kan drinken. Bijkomen van de schrik.’
Ray zei dat ie heel nerveus zou worden als zo’n mooie vrouw hier binnen zou komen.
De twee dikke mannen van het autoschadebedrijf gingen het autoschadebedrijf binnen. Het model bleef naar de schade staan kijken. Na een minuut boog ze zich haar auto in (‘Oe’, zei weer iemand) en pakte ze een telefoon.
Ik zei dat we haar tenminste iets te drinken moesten geven. Dat ze niet naar binnen hoefde te komen als niet iedereen het daar mee eens was, maar dat we het haar ook konden brengen.
Ray zei dat ie het haar zeker niet ging brengen. ‘Dan gooi ik het over haar heen in m’n zenuwen.’
‘Net als Stan uit South Park.’
‘Die kotst meteen over meisjes heen.’
‘Dat zou ik ook kunnen’, zei Ray.
Joost zei dat ik het dan maar moest doen.
Ik zei dat ik wel wilde doen, maar dat iedereen dan gewoon op z’n plek moest gaan zitten.
‘Dus jij gaat een model versieren en wij mogen niet zien hoe je dat doet?’
‘Ik zei niet dat ik een model ging versieren, ik zei dat we haar wat te drinken moesten geven. Het is dertig graden buiten.’
‘En waarom mogen we dan niet kijken?’
‘Omdat ze jullie koppen allemaal ziet zodra ze naar boven kijkt.’
‘En dan?’
‘Hoe pijnlijk denk je dat het is om net tegen een auto opgereden te zijn en dan te ontdekken dat er tien man naar je staan te kijken?’
‘Acht’, zei Joost.
‘Acht dan.’ Ik keek even rond. Niemand scheen er echt een idee over te hebben. Ze wachtten min of meer tot ik een mok met water zou vullen. Op dat moment sloeg de grote Amerikaanse ijskast weer aan. We hadden stroom.
Ik hield mijn adem even in, schudde mijn hoofd en liep terug naar mijn plek.

Ik klikte wat rond op internet. Ik las niks; ik keek de keuken in. Iedereen keek nog steeds naar buiten.
Na een kwartier zei Joost dat ze in haar auto stapte. Hij zette een stap het kantoor in en vroeg of ik dat gehoord had. ‘Ze stapt nu in haar auto.’
Ik zei dat ik hem had gehoord.
Hij ging weer terug naar het raam. Met stemverheffing vertelde hij dat ze een parkeerplaats instak. ‘O, maar ze draait.’
Ik keek naar mijn scherm.
‘Ze rijdt weg’, zei Joost.
Ik klikte nog wat code van Pierre open.
‘Daar gaat ze’, zei Joost.
Pierre had een procedure KutKlantVerzoek22 genoemd. Dat was een slechte naam voor een procedure. In het commentaar dat er bijstond, had ie een paar erg lelijke woorden gebruikt.
Ik riep de anderen erbij.

Zaterdag 01 Oktober 2005 at 03:17 am.

Geen reacties



  


Persoonlijke info onthouden?:
Kattebel:
Verberg e-mail:

Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Dit was Wachten op de modellen op waltervandenberg.nl Alles is © Walter van den Berg. Pik iets en ik weet je te vinden, rapalje.