Het meisje dat haar tijd doodde

Geschreven voor Rails, daarin geplaatst als 'Verdwenen in Wenen.'
We hadden nog nooit iets gedaan. Ik kende mensen die bij bedrijven werkten waar ze elk jaar een etentje hadden, of een uitje naar de Efteling, of een middagje karten. Maar wij hadden nog nooit iets gedaan.
We moesten leveren. De baas had gedreigd iedereen te ontslaan en hij had gezegd dat ie zichzelf zou verhangen als we niet op tijd leverden, dus toen hij een mailtje stuurde dat we een weekend naar Wenen zouden gaan als we op tijd zouden leveren, geloofde alleen Stephan het.
Stephan was apart. De meeste jongen bij ons waren nerds, maar Stephan was erger dan dat. Hij had alle kenmerken van een nerd – hij zag er niet uit en wist niet hoe hij zich moest gedragen in gezelschap – maar hij had geen specialisme. Een goeie nerd wist heel veel van één ding, maar Stephan wist niks van vrijwel alles. Hij was aangenomen voor het knip- en plakwerk.
Ik probeerde Stephan een beetje te helpen, maar ik wist niet zo goed waarmee. Toen ik bij het bedrijf kwam werken, had ik de meeste jongens geleerd ‘goedemorgen’ te zeggen bij het binnenkomen ’s ochtends, maar Stephan was zulke dingen niet te leren. Hij deed zoveel dingen verkeerd dat de dingen om hem heen vanzelf verkeerd begonnen te gaan. Het was niet zo dat hij pech had – het was zo dat hij pech wás.
Stephan was zo bijzonder dat ik zo een uur naar hem kon kijken als we niks te doen hadden. En als we niks te doen hadden, luisterde hij graag naar mijn verhalen over mijn weekenden. En omdat hij die verhalen zo mooi vond, vertelde ik ze graag.
Maar we hadden wel iets te doen nu – we moesten leveren.
We schreven de software voor een videoscherm dat gekke dingen zou moeten kunnen doen. We hadden nog nooit zoiets gedaan, maar mijn baas had tegen de klant gezegd dat het geen probleem was, en de klant had het scherm best hard nodig. Er zouden honderdduizend mensen naar het scherm kijken. Op een bepaalde dag. De klant wilde de software ook echt die dag hebben. Liever niet later.
‘We gaan nachten doorhalen,’ zei de baas. ‘En we gaan op tijd leveren. En dan gaan we met het hele bedrijf naar Wenen.’
‘Waarom naar Wenen?’ vroeg iemand.
‘Omdat het scherm daar komt te hangen. Wij gaan kijken naar wat we gemaakt hebben.’
Iedereen keek elkaar aan. We haalden onze schouders op en werkten verder. We gingen nachten doorhalen.

We leverden op tijd, en op vrijdag stonden we op Schiphol. Tien programmeurs, een directeur en een projectmanager die altijd buiten de deur was. Toen we in de rij stonden voor de balie, keken we naar Stephan, hoe hij zijn handbagage over de grond liet rollen.
‘O god,’ zei ik.
‘Wat is er?’ vroeg de projectmanager.
‘Stephan. Ik wil liever niet met Stephan in één vliegtuig zitten. Stephan sleept het ongeluk met zich mee. Elk vliegtuig waar hij inzit, maakt absoluut een vergrootte kans op neerstorten.’
De projectmanager lachte.
Ik zei dat ik geen grapjes maakte. Ik vertelde dat Stephan in een gebouw woonde dat gesloopt ging worden en dat hij dat pas drie weken van te voren hoorde – elke brief die aan elke bewoner was gestuurd, was niet bij hem aangekomen. ‘Dat is te veel ongeluk. Dat kan niet. Deze reis wordt levensgevaarlijk.’
De projectmanager keek van mij naar Stephan. Stephan zocht zijn paspoort. Het begon erop te lijken dat hij zijn paspoort vergeten was.

We vlogen met een Slowaakse prijsstunter. Dat maakte me niet geruster. Maar we overleefden het. Stephan sloot zichzelf op, per ongeluk, in de wc, en dat was zijn enige pech. Ik was daar enigszins opgelucht over; ik dacht eerst dat ie pijnlijk lang zat te poepen.
Hij werd bevrijd door de stewardessen die klonken alsof ze in een James-Bondfilm de slechte meisjes speelden.
Ik zei tegen de projectmanager dat ik best wel van reisjes hield, maar dat ik die reisjes bij voorkeur niet met tien nerds deed. De projectmanager zei dat ie het niet had durven zeggen.

We kwamen ’s avonds aan in Wenen. We werden opgehaald door een touringcar, en bij de touringcar hoorde een gids die Nederlands sprak. Hij vertelde over Wenen in een microfoon, en hij gebruikte heel vaak het woord ‘merkwaardig’. Toen hij het uitgaansgebied aanwees, keken de projectmanager en ik elkaar aan. De gids vertelde dat het de Bermuda Driehoek heette, maar dat er nog nooit iemand verdwenen was. ‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ zei de projectmanager.
‘Straks verdwijnen?’ vroeg ik.
‘Straks verdwijnen,’ zei hij.

Die nacht verdwenen we in de Bermuda Driehoek. We verdwenen in een paar verschillende tentjes waar weinig aan was, tot een portier ons vroeg waar we vandaan kwamen, en toen we vertelden dat we uit Amsterdam kwamen, zei hij dat we niet naar zijn club moesten, maar verderop, verderop was het beter. ‘I love Amsterdam,’ zei hij.
We verdwenen de rest van de nacht in een club waar de deejay zei dat hij Tiësto draaide als hij Tiësto draaide. Met een zwaar Duits accent zei hij dan: ‘Tiësto, the greatest deejay in the world’. En dat een paar keer.
Tegen een uur of vijf kwamen we terug in ons hotel.

Ontbijt was om half negen, want we moesten sightseeën.
Iemand vroeg ons wat we hadden gedaan.
We zeiden dat we waren verdwenen.
Een serveerster gooide een kan koffie over Stephans schoot.

Ergens halverwege het sightseeën verdwenen we weer. We liepen de tuinen van het Schönbrunnpaleis in en de projectmanager en ik moest even kreunen bij de aanblik van de afstanden die we af moesten gaan leggen. Het was te groot. Het was te veel. Toen de gids iets over keizerin Sissi aan het vertellen was, draaiden we ons om.
In de stad dronken we veel water en koffie. Bij een kiosk kochten we een broodje bockworst. Voor ons had een stel Italianen onverstaanbaar staan zijn, en daar maakten we grappen over met de dame die in de kiosk stond, maar zij bleek even onverstaanbaar. In een waarschijnlijk Weens accent deed zij haar beklag over toeristen. Of over iets anders. We wisten het niet.
Toen we door de winkelstraat liepen, onze broodjes te rauwe worst langzaam wegetend, zagen we haar lopen: het meisje dat haar tijd doodde. We hadden elkaar al een tijdje geëlleboogd, kijk links, kijk rechts, kijk daar, maar voor haar stonden we stil. Ze was alleen en ze wist duidelijk niet hoe ze haar dag door moest komen, en ze was heel mooi. Ze stond een wegwijzer te lezen die voor toeristen neer was gezet.
‘Aanspreken?’
‘Maar het is maar één meisje.’
‘Juist daarom. Het arme kind verveelt zich.’
‘Wij zijn met z’n tweeën.’
‘We hoeven niet met ‘r te trouwen. Onze dag gaat gewoon wat leuker worden als zij in die dag zit.’
De projectmanager knikte. ‘Oké,’ zei hij.
Ik haalde diep adem en liep naar haar toe. Ik vroeg haar of ze misschien een kop koffie met ons wilde drinken. Ik zei dat we ons een beetje verdwaald voelden omdat we het hier niet kenden, en dat we de indruk hadden dat zij ook…
Ze schudde haar hoofd met een glimlach. Nee, dankjewel. Ze had een heel klein litteken op haar bovenlip.
Eén kop koffie.
Vooruit dan.

Ze heette Sandra en ze kwam uit Duitsland en ze was bij een vriendin op bezoek die hier woonde. Ze hadden het ’s avonds heel leuk met z’n tweeën, maar overdag moest de vriendin werken, dus dan liep Sandra maar een beetje door de stad.
We knikten. We begrepen Sandra. We konden het heel goed vinden met Sandra.
We liepen door de stad, na de koffie, en de projectmanager en ik deden ons best om Sandra te vermaken. Voor een monument waar een generaal met een grote snor op een paard zat, stond een groep Indonezen te poseren – ik ging tussen ze in staan en poseerde mee, alsof ik een jongen was die dat soort dingen deed.
We hadden een heel mooie middag met Sandra.
Om een uur of zes ging het mobieltje van de projectmanager. Het was de directeur die vroeg waar de fuck we waren en hij zei dat we over een half uur in het hotel moesten zijn omdat we eerst gezamenlijk gingen eten en daarna naar de gebeurtenis met het scherm moesten.
Ik vroeg Sandra of zij ook naar de gebeurtenis met het scherm wilde komen, met haar vriendin.
Ze vroeg of dat wel kon.
Ik zei dat er honderdduizend mensen zouden zijn. Dat zij er ook nog wel bij mochten.
Ze zei dat ze dan zeker zou komen.

In de taxi naar het hotel zei ik dat ik verliefd was.
‘Ik ook,’ zei de projectmanager.
Ik zei dat ik haar aan had gesproken. Dat ik eerste rechten had. ‘Je zal zien dat haar vriendin ook heel leuk is.’
‘Natuurlijk niet,’ zei de projectmanager. ‘Dat is de wet van de mooie meisjes: hun vriendinnen zijn altijd lelijk. Zodat de mooie meisjes zich nog mooier voelen, en de lelijke meisjes zich nog miserabeler.’
‘Dat is gemeen.’
‘Dat is de wet. Oké, jij hebt haar aangesproken, jij hebt eerste rechten. Maar ze moet eigenlijk zelf kiezen, natuurlijk.’
Ik zei dat hij een man moest zijn en een stap terug moest zetten. ‘Hoe lang zijn we nu al vrienden?’
‘Eén dag?’
Ik zei dat dat genoeg moest zijn.

Bij het gezamenlijk diner zat ik naast Stephan. De touringcar had ons vanuit het hotel naar een soort van boerderij aan de rand van de stad gebracht en daar kregen we traditioneel Weens voedsel. In Wenen was het kennelijk traditie om alles in paneermeel te rollen en dan te frituren. Elk gepaneerd ding was een verrassing: het kon een stuk varkensvlees zijn, of een tomaat. Stephan had zijn bord volgeschept met allerlei gepaneerdheden. Hij vroeg waar we waren geweest.
In de stad, zei ik.
Wat hebben jullie gedaan dan?
Ik haalde mijn schouders op. ‘Een meisje versierd,’ zei ik.
‘Echt?’
‘Nou ja, zo’n beetje. Ze komt vanavond naar het ding met het scherm.’
‘Echt waar?’
Ik knikte.
‘Ik wou dat ik jou was,’ zei Stephan.
Ik keek ’m even aan. ‘Sorry?’
Hij zei het nog een keer: ‘ik wou dat ik jou was.’

Er was iets met een vipruimte waar wij dan mochten zijn omdat we de software voor het scherm hadden geschreven, maar de projectmanager en ik wilden daar niet zijn, want we hadden afgesproken met Sandra dat we rechts voor het scherm zouden staan. Dus toen niemand keek, verdwenen we. We werden goeie verdwijners.
Toen we door de mensenmassa heenschoven, keek ik achterom. We waren minder goeie verdwijners dan ik dacht: Stephan liep achter me. Hij grijnsde toen ik ’m aankeek. Ik zuchtte, maar ik kon ’m niet terugssturen. En waarom zou ik: het moment van glorie zou alleen groter zijn met een bewonderende toeschouwer.
Sandra stond er. Ze had haar vriendin bij zich. De wet van de mooie meisjes bleek waar te zijn: Sandra’s vriendin was een lelijk meisje. ‘Zie je wel,’ zei de projectmanager, ‘een waakvarken.’
Ik zei dat ik eerste rechten op Sandra had.
‘Oké. Daar zijn we vrienden voor.’
Boven ons, op het scherm, gebeurde er van alles. Wij hadden nachten doorgehaald om dat te laten gebeuren.
We begroetten elkaar, hallo, hoi – we maakten een praatje, goh, druk, en toen gebeurde er iets. Sandra keek me aan en er veranderde iets in haar ogen. Ze leek een beetje verward en zei iets over wegmoeten, sorry, andere afspraak, helemaal vergeten, en ze pakte haar vriendin bij haar mouw en trok haar mee.
Binnen een paar tellen waren ze tussen de mensen verdwenen.
De projectmanager en ik keken elkaar aan. Daarna keken we achter ons. Stephan stond op een meter bij ons vandaan.
‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dit kán niet, dit is te erg. Wat heb je gedaan?’
Stephan zei niks.
‘Nee, serieus, wat heb je nu net gedaan? Heb je je tong naar ze uitgestoken, heb je geknipoogd, wat?’
Hij zei dat hij alleen maar mij wilde zijn. Dat hij daar alleen maar had gestaan en mij wilde zijn.

Op het vliegveld van Wenen moesten we een paar uur wachten. We liepen een beetje rond, de projectmanager en ik, en veel was er niet rond te lopen: een stuk of twintig kleine winkeltjes op een oppervlakte die niet groter was dan een flinke supermarkt. Als we een collega tegenkwamen bij een van de vele rondjes, knikten we, maar als we Stephan aan zagen komen, draaiden we ons om. en liepen we de andere kant op.
De projectmanager zei dat hij liever niet met Stephan in één vliegtuig wilde zitten.
Ik zei dat hij daar gelijk in had.

Zondag 27 April 2008 at 4:18 pm.

vier reacties

Geplaatst op 27 april en nog altijd geen reacties. Is dat normaal of is er iets fout met de software? Klaus (E-mail) - 14-05-’08 16:01

Ik denk dat het gewoon lastig reageren is op zo'n lap tekst. Misschien is het wel te lang voor de internets. walter - 15-05-’08 11:50

Het ligt aan rss-readers volgens mij. je abonnees denken gewoon dat het stil is op vandenb.com. Tot ze eens een echt kijkje gaan nemen of de winkel nu werkelijk gesloten is. Klaus (E-mail) - 15-05-’08 15:52

Ik wil jou niet meer zijn :P Raymond - 06-03-’09 16:05



  


Persoonlijke info onthouden?:
Kattebel:
Verberg e-mail:

Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Dit was Het meisje dat haar tijd doodde op waltervandenberg.nl Alles is © Walter van den Berg. Pik iets en ik weet je te vinden, rapalje.