Geschreven voor Nieuwe Revu.
Op de postjesweg staat een bord en op het bord staat een flat getekend. Te koop: 34 appartementen en 20 stadswoningen. Far West, heet de woningbouwvereniging die de opdracht voor de bouw heeft gegeven. Voor de flat op het bord staan mensen getekend. Iemand op een fiets, een vrouw met een kinderwagen, en twee meisjes met blond haar die in de gulden snede van het beeld staan. Ik loop naar de plek waar volgens dit perspectief de meisjes zouden lopen. Het is de halte van bus 18. Er staan vijf mensen op de bus te wachten en ze hebben allemaal zwart haar. Het is dinsdagmiddag. Ik ga tussen ze staan en kijk naar de overkant.
Op de braakliggende strook waar de flat neergezet gaat worden, stonden vroeger lage huisjes waar witte oude vrouwtjes woonden. Er staan oude flats haaks op de lege plek. Vier verdiepingen, portieken, schotelantennes, bijna een per balkon.
Ik vraag een jongen die op bus 18 staat te wachten wat voor mensen er volgens hem in de nieuwe flat komen te wonen. Hij haalt zijn schouders op. 'Witte mensen.' Ik zeg dat ik erover denk een huis te nemen daar. Hij zegt dat ik dan toch weer wegga als ik kinderen heb, dat ik die hier niet op straat ga laten spelen. 'Of je koopt een Playstation voor ze.'
Mijn zwager is Egyptenaar. Hij is twintig jaar getrouwd met mijn zuster en hij heeft een restaurant in Slotervaart, op de Johan Huizingalaan. Zijn restaurant is een steakhouse – hij serveert biefstukken waar je mes doorheen zakt en hij pakt broodjes shoarma in zilverpapier voor mensen die aan de bar wachten op hun bestelling. Zijn klanten zijn voor tachtig procent Nederlands. Verder komen er Spanjaarden, Zuidamerikanen en een paar Turken.
Toen ik een paar straten verderop woonde, zat ik vaak bij mijn zwager. Ik kwam binnen om met de jongens te praten en ik wachtte tot hij vroeg of ik een broodje wilde, en ik wilde altijd wel een broodje. Als ik er op dinsdag was, zat ik aan de bar mijn broodje te eten en dan waren Ron en Kitty er. Ron en Kitty woonden in het blue-banddorp, het blok huizen met de blauwe belijning, onder het viaduct door, links. Ze kwamen iedere dinsdag en voor ze aan tafel gingen, zaten ze aan de bar, en dan praatten ze met mijn zwager. Mijn zwager is hun richtallochtoon: dit is de buitenlander zoals we hem hebben willen. Mijn zwager is de charme zelf. Klanten die bellen voor een reservering, vragen eerst of Wagdy er wel is, de avond dat ze willen komen.
Het is woensdagavond en mijn zwager geeft me een hand en drukt daarna die hand op zijn hart. Ik vraag of Ron en Kitty zijn geweest gisteren. Altijd, zegt hij, iedere dinsdag, nog steeds.
Emghet komt uit de keuken en zegt dat ie me te lang niet heeft gezien. Ik zeg dat ik niet meer in de buurt woon, verontschuldigend. Ik woon nu over de rand, tweehonderd meter van de grens van Slotervaart en ik zie geen reden meer om die kant op te rijden – al het leuke is de andere kant op.
Die avond zitten er witte mensen aan de tafeltjes. Een grote man in een poloshirtje probeert zijn vakantiespaans op mijn zwager. Dat doen ze vaker, de nieuwe klanten, omdat er 'Argentijns' op de gevel staat. 'Gracias,' zegt de man als mijn zwager een bord neerzet, en hij doet zijn best op een kromme zin die duidelijk moet maken dat zijn vrouw nog een glas wijn wil. Mijn zwager zet zijn breedste glimlach op en zegt dat hij een simpele Egyptenaar is en geen Spaans spreekt. Dat zegt hij een keer of drie per week.
Donderdagmiddag. Onder het viaduct van de Lelylaan zit een hondenkapsalon. Op de tafel binnen wordt een bouvier geschoren. Hier kunnen alleen maar witte mensen komen – de honden van de jongens met zwart haar in de buurt hoeven niet naar de kapsalon, dat zijn Argentinos en Amerikaanse terriers, gevaarlijk uitziende honden met kort haar.
Sally op het werk had Joop Vissekom genoemd en als ik Café Huizinga binnenkom zie ik meteen wie Joop Vissekom is: een klein mannetje met ogen die als rondzwemmende vissen in zijn hoofd zijn geplakt. Ik ken hem, ik heb een keer met hem bij mijn buurvrouw op de bank gezeten, vroeger. Hij geilde op mijn buurvrouw, maar mijn buurvrouw geilde niet op hem.
Rechts van hem zit een grote gast met een litteken op zijn voorhoofd, naast de grote gast een oudere man met een rode neus. Links van Joop Vissekom een vrouw met roodgeverfd spriethaar en een bril. Ze vertelt een verhaal over iemand die dames tegen haar en haar vriendin gezegd had en dat ze beledigd waren geweest – o nee, hij had meisjes gezegd, dag meisjes, en zij hadden gezegd dat ze dames waren.
Ik bestel een biertje en vraag aan de jongen achter de bar of Jan Froger hier nog wel eens zit. Hij zegt dat ik 'm net heb gemist.
De man met de rode neus, rechts, zegt dat ik dat ook wel aan hem had kunnen vragen. 'Dat weten wij hier allemaal.'
De biertjescaroussel draait. Joop geeft Hennie aan de overkant een biertje. De man met de rode neus en de grote gast met het litteken krijgen er een van een man met een baard en windjack, die zwijgzaam aan een hoek zit. Er wordt geproost met een hoofdknik, en soms een woord.
De man met de rode neus pakt een pakje tissues uit zijn jaszak en wil het openpeuteren. Hij zegt tegen de grote gast met het litteken dat ie het niet openkrijgt. Dat Albert Heijn troep verkoopt. 'Zo'n pakje moet je toch openkrijgen?'
De grote gast met het litteken pakt de tissues op. 'Jan, als je dit bij Albert Heijn hebt gekocht, waarom staat er dan C1000 op?'
Jan kijkt even naar het merkje. 'Dat maakt mij geen sodemieter uit, ik kan het toch niet openkrijgen.'
De grote gast pakt ook een pakje tissues uit zijn zak. Verkoudheid heerst, bij Café Huizinga. Hij gooit het op de bar en steekt de C1000-tissues weg.
Jan maakt zijn nieuwe pakje open en snuit zijn neus.
Aan het plafond hangt goudkleurige folie, gedrapeerd opgehangen. Aan de muur hangt een poster van Ajax; de jongens uit 1995, die de Champions League wonnen. In de hoek een uit een abri gestolen reclameplakkaat van Sapph, een vrouw in lingerie, rode lippen, slaapkamerogen.
Zondag, bejaardenhuis de Drie Hoven. Een campus van beton met groene platen betimmerd. Op de tweede verdieping is de recreatieruimte. Een grote zaal. Onder licht uit dakramen staat een piano, en om de piano heen zijn stoelen en tafels in een cirkel neergezet. Een vrouw van een jaar of vijftig speelt een kinderliedje en de vrouwen in de cirkel, allemaal wit, zingen mee. Hannes loopt op klompen, stimpe stampe stompe. Ze hebben een boek met liedteksten. De vrouw achter de piano is klaar met Hannes en kondigt het volgende liedje aan: Dag schatteboutje. De tekst staat op bladzijde 33. Een vrouw met een badge op haar revers loopt om de cirkel en slaat bladzijden om bij de mensen die dat zelf niet doen.
Er komt een donker jongetje naar me toe rennen. Hij wil alles weten over mijn telefoon. Ik zie niemand die zijn oma zou kunnen zijn.
Het laatste liedje heet Het is weer tijd.
Als ze klaar zijn, zegt de dame achter de piano dat er volgende week weer gezongen wordt. De mobiele vrouwen lopen of rollen zelf weg, de vrouwen in rolstoelen zonder hulpmotor worden in een rijtje achter elkaar gezet. Een vrouw die eruit ziet of ze even oud is als de anderen, heeft ook een badge: ze schuift stoelen terug naar hun plek. Ik vraag of ze ook in het huis woont? Ja, ze woont hier ook. Maar u bent nog zo fit, zeg ik. Ze zegt dat het hier gezellig is. Met de andere oudjes.
Feyenoord-Ajax. Pauze. Jongens in Ajax-shirts staan buiten bij Café Huizinga te roken. Binnen is het vol en Ajax staat achter, 0-1. 'Het is weer niks,' zegt een man met een blonde vriendin, meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Een kwartier in de tweede helft scoort Ajax. Wij juichen. Na het juichen gaan we grappen maken. Maduro geeft Lie een schouderduw en wordt teruggefloten. Ik maak een slechte grap over het snorretje van Lie. De man met de blonde vriendin lacht, slaat me op de schouder en neemt de grap over, vertelt 'm luider en wijst naar mij. Ik maak later nog een grap over de leeftijd van Michael Mols, harder nu, en de mensen in mijn geluidsbubbel lachen allemaal, maar de man met de blonde vriendin herhaalt de grap toch, slaat weer op mijn schouder. Ik krijg een biertje van 'm. Er zijn twee negers in de zaak en ze horen niet bij elkaar. Een van de negers heet Andre en hij praat met een plat Amsterdams accent. In de hoek staan vier Indiers die hun tingelingtaal met elkaar praten – er is een druk mannetje bij dat voetbalbewegingen maakt bij de verhalen die hij vertelt. Verder zijn er vijftig, zestig witte hoofden.
Woensdag. Op de hoek van de deurtjesbuurt zit een slager. De deurtjesbuurt heet waarschijnlijk anders voor de mensen die er wonen, maar ik heb het ooit voor mezelf zo genoemd: elk huisje heeft twee deuren, een voordeur met kippegaasglas en een deur naar de berging, schuin haaks op elkaar, en iedereen die ik er vroeger kende, gebruikte alleen de deur naar de berging – de glazen voordeur werd nooit gebruikt. De kleine berging was altijd ingericht als een bijhal, zoals grotere huizen bijkeukens kunnen hebben. In de bijhal hingen mensen hun jassen op en zetten hun schoenen neer, en dan gebruikten ze de binnendeur om op de gang te komen.
Mensen waar ik kwam hadden hun buitendeur dichtgebouwd met lage gangkastjes waar foto's van de kinderen op stonden.
De slagerij zit er al jaren, maar de slager is nieuw: een jongen van 21 die de zaak heeft overgenomen. Hij komt zelf uit Noord. Over Noord kan ie me verhalen vertellen, zegt hij, maar niet over deze buurt. Alleen maar dat er geen buitenlanders in zijn zaak komen. Hij ziet wel eens jongetjes langslopen, maar dat is het, en meer niet. Ik vraag of hij de woning achter de zaak ook heeft overgenomen. Nee, zegt hij, de dochter van de oude slager woont daar nog. Hij zit zelf nog bij zijn ouders, in Noord. Over een jaar of twee gaat ie eens kijken voor een huis – eerst de slagerij.
Carlos zit bij m'n zwager in het restaurant. Carlos is een Columbiaan en hij doet foute dingen. Ik heb ooit indruk gemaakt op het mooiste meisje dat mijn zwager had werken door Carlos te kennen. Meer hoefde ik er niet voor te doen: Carlos kennen was genoeg. Hij ziet me nu, wenkt me en omhelst me. We hebben elkaar drie of vier jaar niet gezien en zijn Nederlands is nauwelijks beter geworden. De mannen aan zijn tafel zijn lijfwachten of zakenpartners; ik word wantrouwig bekeken. Dat hij hier nog komt, zeg ik. Dat moet ik uitleggen – dat hij hier nog komt, wat betekent dat? Dat het me verbaast dat ie nog steeds bij m'n zwager eet.
Goed eten, zegt hij, en geen buitenlanders. Hij zegt dat ik aan zijn tafel moet gaan zitten en de jongen die me ooit aan hem voorstelde zei eens dat je Carlos nooit iets weigert. In mijn mavospaans praten we over zijn nieuwe auto. De mannen aan zijn tafel zwijgen. De andere mensen in de zaak, allemaal wit, kijken naar ons.
Vrijdagmiddag. Jan Froger zit aan het biljart van Café Huizinga. Op het biljart ligt een dek van skaileer, en op het skaileer ligt goud. Jan Froger haalt zijn goud uit Antwerpen en het is hier goedkoper dan in de winkel. Hij helpt een klant. Frogers broer zit aan een tafeltje in de hoek en hij heeft een digitaal weegschaaltje. De klant zoekt een cartierketting. Als hij er een aanwijst, legt Frogers broer het op de weegschaal en Froger kijkt naar de display en noemt een prijs. De klant wijst een andere ketting aan.
In de ruimte waar het biljart staat, zitten nog een paar mensen aan tafeltjes. In Café Huizinga wordt bijna nooit aan tafeltjes gezeten – de mensen aan de tafeltjes zijn meer klanten voor Froger. Ik vraag na wie ik aan de beurt ben. Twee dames met grijs haar steken hun hand op. Ze hebben biertjes op hun tafeltje staan, en er liggen pakjes marlboro light naast, aanstekers op de pakjes.
Ik ga zitten aan een ander tafeltje en Froger roept de barman. Hij bestelt een biertje voor mij. 'Hee vriend,' zegt hij. 'Lang niet gezien.' Hij pakt nog een stripzakje uit zijn buidel: meer gouden kettingen voor de man die hij aan het helpen is.
Als ik mag, schudt hij mijn hand. De vrouwen voor me zijn met een bedeltje weggegaan. Hij vraagt wat ik nu doe. Een beetje van alles, zeg ik. Hij vraagt wat ik wil hebben. Een hangertje dat een zwaard moet voorstellen, zeg ik, ik wil een klein gouden zwaardje, maar voor een meisje, dus het moet een beetje fijn zijn.
Op het biljart liggen al tientallen bedeltjes. Hij roert er in, clowntjes, katten, beertjes, dobbelstenen, pitbulls, alles goud. Geen zwaard. Hij zegt dat ie volgende week een zwaard voor me kan hebben. Ik zeg dat het wel een specifiek zwaardje moet zijn, geen degen of kromzwaard. Een stoer zwaard, maar wel fijntjes. Het is voor een stoer meisje, zeg ik.
Hij zegt dat ik volgende week terug moet komen. We schudden handen.
Joop Vissekom zit aan de bar en ik ga naast 'm zitten. Ik zeg dat ik 'm wel eens bij Irene thuis heb gezien, een paar jaar geleden.
Hij kijkt me aan, bekijkt me, en zegt dat ie het zich niet kan herinneren.
Maar Irene ken je nog wel, zeg ik.
Ja, Irene kent hij nog wel. Hij zegt dat ie nog wel eens bij haar langsgaat. Dat ze vroeger nog wel eens hier kwam maar dat dat niet meer gaat met haar been. Dat dat eraf is.
Eraf?
Eraf.
Maar ze woonde op twee hoog, zeg ik.
Nu niet meer, ze woont in het Blue-Banddorp, zegt hij, aan de overkant.
Ik vraag of we langs zullen gaan.
Nu?
Nu.
Waarom niet, zegt hij.
Ook in haar nieuwe huis heeft Irene alles roze geschilderd. Haar broertje, met wie ik wel eens ging stappen in de Cooldown en de Surprise bar, zei dat ze in een baarmoeder woonde. Haar broertje heeft een paar jaar bij haar gezeten.
Ze loopt op krukken die tot haar oksels komen. Ze zegt dat ze laatst nog aan me moest denken, dat het zo gezellig was als ik langskwam. Dat ik zo goed kon trivianten.
Ik vraag hoe het met haar dochter is. Ze zegt dat ze die bijna nooit meer ziet. Dat ze zo zijn, kinderen – die vergeten zo makkelijk wie hun moeder is.
Ik heb mijn buurvrouw haar dochter horen uitschelden voor vuile kuthoer, toen ze veertien was.
Ik vraag hoe ze in deze buurt terecht is gekomen. Dat het me verbaast dat er geen buitenlanders wonen. O, zegt ze, lekker toch? Het is via via gegaan, zegt ze. Dat je anders het dorp niet inkomt.
Ze zet koffie en we praten over haar been. Joop Vissekom zegt niets. Hij kijkt alleen maar naar Irene.
Ze zegt dat ze niet genoeg in huis heeft om ons mee te kunnen laten eten. Het is half zes.
Als we teruglopen zegt hij dat ze hem nog steeds niet moet. 'Zelfs nu ze nog maar een been heeft.'
De jongens bij m'n zwager zijn aan het schoonmaken. Het is elf uur. Ik heb biertjes gedronken, gekregen van Joop Vissekom en Hennie en Jan en ik heb biertjes voor hen besteld bij de jongen achter de bar – de caroussel draaide. Ik sta niet heel erg goed meer op m'n benen en ik ga aan de bar zitten. M'n zwager vraagt of ik een broodje wil. 'Nee,' zeg ik, 'niet als er al schoongemaakt wordt.' Ik lach naar Yousri en Yousri lacht terug. Hij is de zaal aan het dweilen.
'Hoeveel Nederlanders?' vraag ik mijn zwager.
'Honderd procent vandaag,' zegt hij.
De deur gaat open en er komen twee mannen binnen – witte mannen. Ze vragen of ze nog wat kunnen eten. Ze dragen leren jassen en schudden de hand van mijn zwager – mijn zwager drukt zijn hand weer op zijn hart. Natuurlijk, zegt hij, ga zitten, willen jullie een biertje? En hij vraagt of ik nu ook iets wil eten. Doe maar, zeg ik.
De mannen gaan aan de bar zitten, een kruk tussen hen en mij. Mijn zwager zegt tegen ze dat ik bescheiden ben. Dat ik niet wil dat de jongens weer aan de slag moeten als ik binnenkom. 'Maar het is werk.' Hij zegt dat ik het broertje van zijn vrouw ben. 'Hij is schrijver,'
'O,' zegt de kleinste man. 'Vertel maar eens wat, dan.'
Ik lach ongemakkelijk en ik zeg dat ik geen verteller ben. Dat ik geen sprookjes vertel maar opschrijf wat ik zie. Mijn zwager zet biertjes voor ons neer.
'Ik vertel voortdurend sprookjes,' zegt de kleinste man. We lachen allemaal.
Yousri dweilt.
Ik fiets over de Postjesweg, onvast.
Aan de overkant staat het bord van Far West. 34 appartementen en 20 stadswoningen. Ik blijf weer stilstaan op het punt waar op het bord de blonde meisjes lopen. De laatste bus 18 is al geweest. Er loopt niemand meer in Slotervaart.
Maandag 19 Mei 2008 at 3:43 pm.