Kroniek van de opkomst en ondergang van een liefde voor voetbal

Henk Spaan vroeg of ik een stuk voor Hard Gras wilde schrijven. Henk Spaan weiger ik niets, natuurlijk.
1. 1982-1986

Mijn vader was al dood toen ik Bryan Roy door z'n benen speelde.
Het was op het veldje bij de gymzaal. Er waren teams gekozen en ik was als restmateriaal bij de anderen terecht gekomen en ik wachtte ergens achterin tot ze mijn kant op kwamen. Bryan had de bal en hij pingelde en hij pingelde recht naar me toe. Ik bleef staan en ik zuchtte. Mijn teamgenoten hadden het al opgegeven of ze wilden gewoon zien wat hij zou doen – uit bewondering. Bryan speelde bij Ajax. Een paar jaar later zou hij debuteren in het eerste en zou Hugo Walker bij de samenvatting op Studio Sport zeggen dat het wel eens een grote zou kunnen worden. Nu wilde hij mij door de benen spelen. Ik had het wel door, al wist ik niks van voetbal. Ik keek geen voetbal, ik speelde geen voetbal, voetbal was stom, echt heel stom. Ik stond daar en ik bleef staan.
Bryan tikte de bal.
Ik deed iets.
Ik wist niet zo goed wat ik deed. Ik zette mijn been anders neer dan ik aanvankelijk wilde, ik struikelde, het kon allemaal – ik had de motoriek van een dronken man die voor nog één laatste biertje naar de volgende kroeg wankelt; maar de bal ging niet door mijn benen.
Hij stuiterde terug, en hij ging door zijn benen.
Ik poortte Bryan Roy.

Mijn vader was Ajacied. Of althans: hij had een vaantje van Ajax en als er voetbal op tv was moesten wij stil zijn en als Ajax scoorde, sprong hij uit zijn stoel en juichte hij. Hij juichte zoals mensen dat in de jaren vijftig deden, ook al waren het de jaren zeventig: springend en met gebalde vuisten in de lucht.
Ajax en het Nederlands elftal.
In 1978, bij de finale, was ik buiten. Ik was zeven en ik speelde op de galerij met mijn zuster. Er was niemand op straat.

Mijn vader en ik begrepen elkaar niet.

Toen hij kanker had en bijna niks meer woog, heeft hij mijn band nog staan plakken. Ik kon dat niet. Het enige dat ik met mijn handen kon, was tekenen. En ik had een lekke band en ik kon er niks mee. Hij stond te plakken, in zijn ochtendjas, het haar dat hij altijd als een gordijntje over zijn kale hoofd trok in een pluk opzij, hoestend, en ik stond een beetje schuin achter hem, meekijkend, alsof ik het wel wilde leren – maar ik wilde het niet leren. Ik begreep niet hoe dingen in elkaar zaten en je werd er ook nog eens vies van. Ik wilde tekenen of in mijn kamer met playmobil spelen of buiten zijn, maar dan wel alleen, want andere kinderen waren stom of eng. Of ze vonden mij stom. Of eng.

Hij ging dood en ik moest huilen. Ik wilde niet dat mijn vader dood was. Ik vond hem stoer en knap – mijn beeld van hoe een man eruit zou moeten zien was heel lang gebaseerd op hoe mijn vader eruit zag, een knappe man had dus dunne lippen en bakkebaarden en droeg halflange leren jasjes. En hij was grappig, hij was natuurlijk de allergrappigste man ter wereld. Maar de grappen die hij maakte, wist ik later, waren oubollig en flauw.
Hij was De Man, het voorbeeld, en ik wilde niet dat hij dood was, want ik had helemaal niet kunnen laten zien dat ik het ook in me had. Hij had mij voornamelijk stom gevonden. Ik kon mijn banden niet zelf plakken en ik voetbalde niet en ik keek niet naar voetbal.

2. 1986-1988

Ik denk dat het 1986 was toen ik besloot van voetbal te gaan houden. Ik was zestien en het was tijd een man te worden. Ik kocht een Voetbal International en ik begon me in te lezen. De vriend die mijn moeder toen had, was ook Ajacied, net als mijn vader was geweest, en hij keek vol spanning naar Europa-cupwedstrijden. Hij vertelde over hoe hij als jongen naar Ajax ging, en nu zou hij nog wel willen, maar hij zat thuis en hij keek tv en bij elk doelpunt liep hij naar de tv met schuifknoppen en zette het geluid harder tot het helemaal openstond, en als het helemaal openstond, liep ik naar de tv en zette het geluid zachter en ik keek mee, en ik keek naar hem. Hoe nerveus hij was. Hoe hij schold en hoe hij juichte, niet zoals mijn vader maar meer ingehouden, alsof het altijd nog mis kon gaan. Hoe hij buitenspel schreeuwde. Ik wist niet wat buitenspel was en ik durfde het niet te vragen, maar ik leerde het – gewoon opletten en ik leerde hoe voetbal in elkaar zat.

Ik zat op de avondschool in 1988 en ik luisterde op mijn radiowalkman naar Langs de lijn, de europacupwedstrijden van PSV – het was voetbal en ik moest het nog leren, en ook PSV was leerzaam. En het was mannelijk en stoer natuurlijk, achter in de klas zitten en luisteren naar voetbal.

Met het EK zag ik de buurman die nooit iets zei voor de deur springen, zielsgelukkig – we waren kampioen. Ik had thuis zitten kijken en ik probeerde na te gaan wat ik voelde: geluk, ook, denk ik. Trots. En verwarring: moest ik de straat op en dronken worden?
's Avonds ging ik met de vrienden die ik toen had naar de stad. In lijn 1 vanuit Osdorp zat de tramchauffeur te zingen. Hij riep om dat we mee moesten doen. Wij deden niet mee – Jerry hield niet van voetbal, ik wist het nog niet zo goed, en de rest was meisje. En tussen die meisjes Jenny Sluiter. Jerry en ik werden nerveus van Jenny Sluiter, want ze was een van de mooiere meisjes van de OSG geweest en Ilona was plotseling vrienden met haar geworden. Gelukkig duurde dat maar een weekend.
We kwamen terecht in de fifties, zo heette de tent.
Het was de eerste keer dat ik uit was. Ik was achttien. Ik wist niet hoe het werkte. Iedereen was dronken en Oranje en van schrik ging ik de vijf jaar daarna niet meer uit.

3. 1990-1996

Per ongeluk kreeg ik voetbalvrienden. Het was niet het soort mensen dat ik me bij voetbalvrienden voor had gesteld, want ze luisterden naar Joy Division en ze gebruikten drugs die niet bedoeld waren om je op te peppen voor een vechtpartij. Twee van mijn vijf voetbalvrienden droegen schoenen met lange punten, alsof we nog in de jaren tachtig woonden en er elk moment een neutronenbom kon vallen, of dat je op z'n minst elk moment een gele poster waarmee tegen die bommen werd geprotesteerd in een raamkozijn kon aantreffen. Ik was op een verjaardag en de TV moest aan want Feyenoord en PSV speelden tegen elkaar en we moesten weten wat de vijand deed. Ik weet niet meer wie trainer was van Feyenoord, maar hij wisselde, en de mensen die later mijn voetbalvrienden zouden worden, zeiden: wat een domme wissel. Ik zei: nee, Dean Gorré gaat naar het middenveld, dan is er meer balans. De mensen die later mijn voetbalvrienden zouden worden, keken me even aan en schudden hun hoofd. Dean Gorré ging naar het middenveld en er kwam meer balans. Toen was er een stituatie voor het doel van PSV. Dit wordt het doelpunt, zei ik. De mensen die later mijn voetbalvrienden zouden worden, keken me even aan en schudden hun hoofd. Het werd het doelpunt.
Dat je dat zag, durfde een van de mensen die later mijn voetbalvrienden zouden worden te zeggen.
Ik haalde mijn schouders op. Ik deed nonchalant, maar: ik had Verstand Van Voetbal.

Met mijn voetbalvrienden keek ik het EK van 1992, bij René thuis. Voor de wedstrijden werd er drugs verdeeld en Joy Division gedraaid. Nederland won met 3-1 van Duitsland. We gingen naar het Leidseplein om het te vieren. Ik was blij. Ik haatte Duitsland, voetbalsgewijs. Onderweg probeerden we Aron Winters kopbal te imiteren. Alleen René had genoeg drugs gebruikt om die sprong er een beetje overtuigend uit te krijgen.
Op het Leidseplein kwamen rellen en het plein werd schoongeveegd met traangas. We leerden dat je je niet tegen een muur moet drukken als de ME eraan komt: nee, je doet niks, maar je moet toch weg, dus de wapenstok zwaait.

Marco miste.
We hadden het kunnen weten, zeiden we, want hij speelde een briljant toernooi, maar hij had nog niet gescoord, en hij zou het beste toernooi ooit spelen zonder te scoren, maar ja – strafschoppen.

In 94/95 won Ajax de Champions League. We zaten bij René thuis en we gingen dood van de zenuwen. Toen Kluivert scoorde, sprongen we op en schreeuwden we, sprongen we elkaar in de armen. René vroeg later of ik nou tranen in m'n ogen had – had ie dat goed gezien? Ja, ik had tranen in m'n ogen.
Ik denk dat ik toen, op die dag, op het hoogtepunt van mijn voetballiefde was.
Of misschien was het het jaar daarop, toen Ajax weer in de finale stond, tegen Juventus, en René's broer was erbij, en René's broer had niet zoveel verstand van voetbal, en het was zijn schuld dat Ajax verloor, omdat hij domme dingen zei tijdens de wedstrijd, en dat was het niet eens – hij was er, en dat was het grote verschil met vorig jaar, hij was er, dus het was anders, dus we verloren, dus het was zijn schuld en we haatten hem.


4. 1996-2003

Vrienden van vrienden speelden bij AS80 en iemand kwam op het idee een avondje mee te trainen. Het was zomer en het seizoen moest nog beginnen en het was gewoon een partijtje, vijf tegen vijf hooguit, en het was rustig aan, warm, gezellig.
Ik kon niet voetballen.
Mijn directe tegenstander was Dikke Cor.
Ik was wel langer dan Dikke Cor, maar hij was duidelijk groter.
Als Dikke Cor de bal kreeg, schopte ik hem tegen zijn schenen. Dat bedoelde ik niet zo – ik wilde heel graag tegen de bal trappen. Maar ik raakte alleen zijn schenen.
Sorry, zei ik elke keer dat ik zijn schenen raakte. Sorry. Sorry.
Ik moet twintig keer sorry hebben gezegd voor hij zei dat ie m'n kop van m'n romp zou trekken als ik nog een keer sorry zou zeggen.

Ik gaf een steekpass. Dat was alles wat ik goed deed, die avond: een steekpass. Iemand zei dat dat een goeie bal was. Ik groeide een beetje. Voor al het andere was ik technisch ontoereikend, maar die steekpass, daar had ik geen techniek voor nodig, alleen inzicht. Ik zei het tegen Dikke Cor, toen de bal in de struiken lag en Tonie 'm ging zoeken. Ik zei dat ik niet kon voetballen maar dat ik wel inzicht had. Ik zal je inzicht geven, zei Dikke Cor, en hij leunde hijgend met zijn handen op zijn knieen, weggedraaid.

Later werd ik wel dikke vrienden met Cor. Jochie, noemde hij mij.
Ik wilde het graag goed doen voor Dikke Cor.

*

Ondertussen had ik een seizoenkaart. De Arena was gebouwd en iedereen wilde naar Ajax en ik ook. Ik had mijn aanvraag aan die van mijn vrienden geniet want dan had je kans op plaatsen bij elkaar, maar mijn vrienden kregen geen kaart en ik wel.
Ik ging eens per twee weken naar Ajax. Alleen.

Voetbal kijken in een stadion is een heel andere beleving dan voetbal kijken op televisie. Mijn eerste keer in het stadion was bij een Amsterdam-Toernooi, en ik had me erover verbaasd dat er gewoon werd afgefloten en dat de bal ging rollen en dat er geen commentaarstem was. Voetbal kijken was voor mij Theo Reitsma, Hugo Walker, Evert ten Napel. Ik voelde me heel dom, toen die eerste keer, in het Olympisch Stadion. Ik heb er drie kwartier over gedaan om te wennen aan geen commentaar dat me kon vertellen wat er aan de hand was, geen herhalingen, en een hoop gefluit van de kant van het veld waar iets gebeurde. Toen ik eenmaal gewend was aan commentaarloos kijken, ergerde ik me alleen nog maar aan de tv. Commentatoren waren dom. En ik vond het heel erg verstand van voetbal, van mezelf, om commentatoren dom te vinden.

Naast mijn vaste plaats in de Arena zat een man met een Rotterdams accent. Groot, bonkig. Na drie wedstrijden begonnen we te praten, en na vier wedstrijden vierden we samen de doelpunten. Dat was zijn beslissing: bij de Ajax-Feyenoord waar Richard Witsgche de bal langs de lijn hooghield, omhelsde hij me toen Ajax scoorde. Het kwam uit het niets. Hij greep me beet en ik greep maar terug, eerst een beetje verrast en licht hulpeloos, een seconde daarna voluit: wij waren mannen en we hielden van voetbal, van Ajax – dus van elkaar.

Naar Ajax gaan toen, alleen, was goed, maar ook een taak. Het was alsof ik door mijn vader naar de kerk werd gestuurd en ik mezelf had gezegd dat God echt bestond, echt.


*

Het jaar daarop kregen de jongens met wie ik bij AS80 had gezomeravondvoetbald ook een seizoenkaart. We zaten in hetzelfde vak, met een meter of twintig tussen ons, en een hoogteverschil van nog eens zo'n afstand. Het stadion was nog uitverkocht toen aan seizoenkaarten, dus elke wedstrijd was elke stoel in principe gevuld, maar bij hen waren altijd wel wat plekken open, en als er geen open plekken waren, zorgden ze wel voor open plekken – Dikke Cor was er tenslotte bij, en Dikke Cor maakte graag ruimte voor mij, het jochie.
Ik wilde naast Dikke Cor zitten als hij ruimte voor me had gemaakt.
We maakten er een dagje van, als Ajax op zondag speelde: dan verzamelden we bij Ruud in de Kanariestraat, dan reden we met de Ascona naar de Venserpolder, dan keken we voetbal, en dan reden we terug en dan aten we Chinees.
Mannelijker dan dit was onhaalbaar.

Voor Ruuds verjaardag kocht ik een boekje over Ajax. Toen hij het uitpakte, keek hij me aan en zei: het is een boek.
Maar het is een boek over Ajax, zei ik.
Maar het is een boek, zei hij.

*

Mijn voetbalvrienden met puntschoenen en cassettebandjes met Joy Division lazen wel boeken, maar toen ik mijn zomeravondvoetbalvrienden had, vond ik hen mietjes. Wat weer veranderde toen er een WK was, want een WK werd bij Ruud in de Kanariestraat gekeken en er liepen kinderen rond tijdens de wedstrijd. Gelukkig waren mijn puntgeschoende voetbalvrienden zich bewust van de noodzaak van serieus voetbalkijken tijdens grote toernooien. Geen kinderen, geen broers meer die geen verstand hebben van voetbal (die fout maakten we maar één keer) en geen vrouwen die er doorheen praten.

5. 2003-2007

Iemand anders stelde voor zelf te gaan voetballen. Het was iemand die het niet kon en hij vroeg mensen die het niet konden. Ik was een van de mensen die gevraagd werd. Dus op een warme avond stonden we in het Westerpark en het was anders dan bij AS80, toen, geen zwetende mannen die boos werden en hier, hier riepen, maar klunzige mensen die over de bal heen trapten bij wie het niet erg was als je zelf over de bal heentrapte; mensen die juichten als er een hoge bal kwam en je besloot 'm te koppen. Het maakte niet uit waar de bal heenging na het koppen: de inzet was al mooi genoeg.
Het was een klein paradijsje.
Ik kocht voetbalschoenen bij de Decathlon voor een paar tientjes, mijn eerste kicksen op m'n vijfendertigste, en we voetbalden elke week, en als we klaar waren met voetbal, picknickten we met koekjes en wijn.

Toen kwamen de jongens.

Ze waren met z'n tweeën en ze vroegen of ze mee mochten doen.
Natuurlijk mochten ze meedoen – wij lieten iedereen meedoen. Wij vroegen jongetjes van acht die een beetje verlegen aan de rand van het veld stonden of ze mee wilden doen, en altijd bleken dat betere voetballers dan wij te zijn, maar dan nét; hun leeftijd en hun grootte werkten gelukkig niet mee.

Maar de jongens die die week mee wilden voetballen, waren dertig en atletisch.
En ze konden voetballen.

Dit was het soort jongens door wie wij van ons clubje kneuzen niet werden gekozen als er vroeger op straat of met gym werd gevoetbald. Dit was het soort jongens voor wie wij restmateriaal waren.

Hier, hier, schreeuwden ze, en ze hadden niet het respect dat wij voor elkaars onkunde hadden: als bij ons iemand van de tegenstander de bal had, dan deden we wel ons best die bal af te pakken, maar met een bepaalde terughoudendheid; wij waren trots op onze tegenstander als die er een dribbel uit kon halen, als de bal echt vijf meter aan de voet bleef. Met de jongens erbij bleef de bal niet meer vijf meter aan de voet.
Wij waren kneuzen, slechte voetballers, en de jongens die het konden waren langs komen lopen om het even duidelijk te maken.
Toen we uitgeput en in lichte staat van ontzetting onze tassen bij elkaar zochten om onze picknick met koekjes en wijn te doen, vroegen de jongens: volgende week weer?
Eh, ja, zeiden wij, de kneuzen, omdat we net als vroeger de jongens die het konden niks durfden te weigeren.

*

De ene jongen bleef komen, de ander niet.
De ene jongen heette Michaël en hij was aardig, bleek. Alleen als ie voetbalde was ie iets minder. Als ie voetbalde moest er gevoetbald worden en als mensen zich niet inzetten werd ie boos.
Ik zette me in. En als ik een passeerbeweging maakte en Michaël riep goed, dan was ik trots.

Op één zo'n avond vroeg hij of ik mee wilde naar Ajax. Ik had al een paar jaar geen seizoenkaart meer, Ruud en Dikke Cor en de andere jongens zag ik niet meer; ik keek nog wel eens voetbal met de vrienden met schoenen met lange punten, maar dat was het wel een beetje.
Ja, ik wilde wel naar Ajax. Hij had kaarten voor zondagmiddag. We spraken af op de hoek, we woonden dicht bij elkaar, en we fietsten. En onderweg praatten we. De arena was een flink stuk fietsen, dus we konden lang praten. Eerst over voetbal, later over meer dan voetbal; hoe het vroeger was, vooral.
'Het' was vroeger hetzelfde voor ons, ontdekten we.
Ik vertelde over mijn vader en hij over de zijne.

We werden vrienden. Ik vertelde hem over mijn gevoel van trots als ie me een compliment gaf bij het kneuzenvoetbal in het Westerpark, en hoe me dat in de weg zat, dat zoeken naar die complimenten van hem, van Dikke Cor, van mijn vrienden met langgepunte schoenen – van mijn vader.
We zaten in het stadion en we keken naar Ajax en ik zei dat ik niet van voetbal hield. Ik zei dat ik het essentieel een dom spel vond. 22 mannen die achter een bal aanrenden; ik vond het een dom spel toen ik twaalf was, waarom zou ik het nu mooi vinden? Michaël zong nog maar eens regel uit het clublied. Dappere strijders fier en koen. We stonden op toen er een doelpunt aankwam en gingen weer zitten toen het uitbleef. Na de wedstrijd stroomden we met het publiek mee en uit de luidsprekers kwam het lied van Jiskefet: dit is de club, mijn ideaal. Hier, zei ik, vijftigduizend mensen en ze hebben niet door dat Jiskefet dat lied ironisch bedoelde. Dat Jiskefet al deze vijftigduizend mensen in de zeik nam. Voetbal is dom, zei ik.

Die week sprak ik af met Rob. Rob was een vriend en hij voetbalde en ik vond hem stoer. Ik had met een willekeurige vriend af kunnen spreken: ze hadden allemaal wel iets waar ik ze stoer om vond en van allemaal hoopte ik altijd op een compliment, een schouderklop – en nu had ik dat pas door. We gingen in een kroeg zitten en ik zei het tegen hem: tot nog toe heb ik je altijd om wat voor idiote reden dan ook tegen je opgekeken en daar ga ik nu mee ophouden. Nog een biertje?

6. 2008

Er stond voetbal op in Festina. Ik zit veel in Festina, met de vrienden die ik nu heb. Chiel zat naar het voetbal te kijken. 'Kijk jij voetbal?' vroeg ik hem.
'Ik kijk nu wel,' zei hij, 'maar ik begrijp er geen zak van.'
Ik knuffelde hem en bestelde meer bier.

Martijn belde me. Hij had een open plek voor Ajax-PSV, de inhaalwedstrijd, woensdag de 30ste. Ik hoefde niet in mijn agenda te kijken – ik wist dat mijn vriendin dan bij me zou zijn.
Mijn vriendin – je kan het je bij andere mensen maar moeilijk voorstellen, ja, goh, een stelletje, en ze hebben het leuk samen, dat is wel duidelijk, maar ik wist niet dat het dit kon zijn, dat het al het andere onbelangrijk zou maken. Ook Ajax-PSV.
Voetbal is voor mij lang iets geweest om me beter bij te voelen, om iets te hebben om naar uit te kijken, om iets te hebben om voor te leven – en dat bedoel ik iets minder dramatisch dan het klinkt, maar ik heb te veel ochtenden gehad in dit leven waarop het enige dat me op deed staan het idee was dat Ajax tegen een Italiaanse subtopper zou spelen, ergens die week. En dat is een gemoedstoestand die ik me niet meer voor kan stellen.

Mijn vader en ik begrepen elkaar niet. Ik heb te lang mijn best gedaan om mijn vader mij wel te laten begrijpen, en het ironische is dat ik daar pas mee begonnen ben toen ie al een paar jaar dood was. Mijn vader is mij nooit gaan begrijpen. Er is geen hemel van waaruit hij op me neerkijkt; als er een hemel zou zijn, zou er een God zijn, en er zijn te veel voetbalclubs op deze wereld bij wie de aanhang om steun van God smeekt om zijn bestaan te rechtvaardigen. Hij kijkt niet op me neer en hij zal me nooit begrijpen. Maar ik denk nu dat ik mijn vader wel begrijp. Mijn vader was een stoere man met leren jasjes en handschoenen om auto mee te rijden. Maar hij was stoer omdat iemand het van hem verwachtte – psychologie van de koude grond, heet dat dan, maar waarom zou je het verder moeten zoeken? Hij zou zomaar een stille jongen op school kunnen zijn geweest, restmateriaal bij het partijtjes kiezen. Hij tekende mooi, mijn vader, hondjes en paarden, en hij vond dingen uit. Mijn moeder vertelde een verhaal over hem dat pijn deed: hij had iets uitgevonden dat ie voorlegde aan zijn zwager, want zijn zwager bouwde huizen. Hij had bedacht dat als je een buizenstelsel in de plinten van een huis aan zou leggen, en je zou een stofzuiger in de kast zetten, je op die manier kon stofzuigen zonder het apparaat steeds achter je aan te slepen – je stopte gewoon je slang in een gat in de plint. Zijn zwager lachte om zoveel onnozelheid, en toen hij zijn volgende huis bouwde, liet hij trots zien wat hij zelf bedacht had: een stofzuiger in de kast en een buizenstelsel in de plinten.
Mijn vader wilde me misschien wel behoeden voor het restmateriaal – waarom voetbalde ik nou niet uit mezelf, waarom zat ik steeds te tekenen? Hij wist dat ik het moeilijk zou gaan krijgen later. Maar hij kon het me niet vertellen, omdat hij niet begreep hoe het in elkaar zat.

Nou, Pa – ik begrijp het. Zo goed als ik het kan.
Voor het geval je toch luistert, als de hemel bestaat, wat zou betekenen dat God bestaat en Hij een Duitser is, of een Braziliaan, want naar gebeden in die taal luistert hij: ik heb van voetbal gehouden, voor jou, en ik zal niet ontkennen dat het de moeite waard is geweest. Ik ben oprecht gelukkig geweest toen Kluivert die bal erin schoof tegen Milan, ik kan nog kippevel krijgen als ik denk aan die run van Witschge, de bal op zijn knie, tien keer achter elkaar, of de wedstrijd die Ajax in Madrid speelde waarbij de scheidsrechter twee zuivere goals afkeurde maar niet kon verhinderen dat Ajax alsnog met 2-0 won en de fans van Real een staande ovatie aan Ajax gaven.
Maar ik heb het niet meer nodig.
Ik begrijp voetbal. Ik begrijp jou.
En ik begrijp mezelf. Als je een reden nodig hebt om me complimenten te geven, om trots op me te zijn – doe het dan daarom.

Vrijdag 30 Mei 2008 at 2:15 pm.

vijf reacties

Mooi stuk, Walter, leest heerlijk weg.

En mijn commentaar heeft ook al menig overwinning gekost, dus alvast sorry daarvoor. Coert (URL) - 30-05-’08 14:44

Da's mooi. Laurent - 30-05-’08 16:14

Wat een mooi stuk Walter. Ik zou er bijna de Hard Gras weer eens voor gaan kopen, wat ik de eerste paar jaargangen trouw deed maar sinds jaren al niet meer...

En het is dat mijn cluppie als door een wonder weer gepromoveerd was, anders had ik ook niet meer van voetbal gehouden... ;-) Joost (URL) - 30-05-’08 19:57

Wat mooi! Auk - 01-06-’08 09:05

's Mooi Walter. Ik geloof dat ik hier eens wat meer moet gaan lezen, ik had niet zo door dat je hier een mooi archief bijhoudt. Joost Brummelkamp (URL) - 30-09-’08 00:24



  


Persoonlijke info onthouden?:
Kattebel:
Verberg e-mail:

Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.
Dit was Kroniek van de opkomst en ondergang van een liefde voor voetbal op waltervandenberg.nl Alles is © Walter van den Berg. Pik iets en ik weet je te vinden, rapalje.